In de HS-krant: De schrijver

Gepubliceerd door redactie Watervloot op

De HS-krant werkt onder deze noemer toe naar ‘De dochter van Martenshoek’, een nieuw theaterstuk van stichting De Watervloot over het bewogen leven van de koftjalk Tromp.

In deze rubriek is er de komende maanden tot aan de voorstellingen – die gepland staan op 26, 27 en 28 september en op 3, 4 en 5 oktober 2019 in en rond de haven van Martenshoek – aandacht voor de totstandkoming van het theaterspektakel. Vandaag is het woord aan de schrijver van het verhaal Corine Nijenhuis.

Iets meer dan een jaar geleden kreeg ik een mail van Kees Botman. Of hij mij kon verleiden eens na te denken over het schrijven van een toneeltekst voor een voorstelling van BUOG (Bedenkers & Uitvoerders van Ongewone Gebeurtenissen/ red.) in opdracht van stichting De Watervloot. Hoewel ik het complimenteus vond, was mijn antwoord helder. Nee.

De reden was tweeledig legde ik uit. Ten eerste: te druk met het schrijven van mijn derde boek, een historische roman over de dam naar Ameland. Ten tweede: het schrijven van een toneelstuk is een heel ander vak dan het schrijven van een roman of essay. Maar Kees Botman wist het mooi te brengen. Hij stelde dat BUOG geen klassiek toneel maakt. Dat het om locatietheater gaat, en een combinatie is van tekst, muziek, dans en zang. Daarbij moest het onderwerp mij toch aanspreken. Hij doelde op het feit dat de Tromp een schip is. Net als Alfons Marie, voorheen Henriëtte. Dat is mijn eigen schip waarover ik ‘Een vrouw van staal’ geschreven heb. Een boek dat als subtitel ‘De buitengewone biografie van een binnenvaartschip’ draagt, maar zich laat lezen als een roman. Een boek waarover Adriaan van Dis zegt dat het gaat over ‘mensen zonder fratsen, wier taal door lastig water en noeste arbeid is gevormd’. En dat het een boek is ‘waar je honger en dorst van krijgt: pannenkoeken, aardappels met spekvet en koffie met jenever, veel jenever.’ Dat laatste schept direct een theatraal beeld.

Om een lang verhaal kort te houden: ik liet mij verleiden. BUOG en ik spraken af dat ik mij zou verdiepen in de geschiedenis van de Tromp, een concept voor het stuk zou schrijven, en één korte scène. Om te zien of het boterde tussen het toneel en mijzelf. Dat bleek het geval. En meer dan dat. Het bleek een magische manier om mijn vroegere vak als theatervormgever met het schrijven te combineren. Want toneel gaat over beeld én over tekst. En ik ben in beiden richtingen geschoold: op de Gerrit Rietveld Academie én op de Schrijversvakschool.

Bij de scènes in ‘De dochter van Martenshoek’ is beeld vaak het uitgangspunt, waarbij de tekst als vanzelf volgt. Het stuk bestaat uit vijf korte scènes op diverse locaties en een lange eindscène die alles bij elkaar brengt. Voordat ik aan het stuk begon was de titel al bepaald. Hoewel ik sterk hecht aan het bedenken van titels, was dit een cadeautje. Het dekt de lading prachtig. Koftjalk Tromp is de dochter die terugkeert naar huis. Naar Martenshoek alwaar zij verhaalt over wat ze heeft meegemaakt na haar geboorte op scheepswerf Verstockt.

Haar geschiedenis is bijzonder, net als haar geboorteplaats. Martenshoek was in 1912 een levendig schippersbolwerk dankzij de sluis die de veenkoloniën met de stad Groningen verbond. De Tromp is een van de laatste koftjalken in de wereld. Zij is van de sloop gered om cultureel erfgoed te worden. Het is een eer haar verhaal te mogen vertellen.

Categorieën: Nieuws